Pagina's

vrijdag 17 september 2010

Het nut van lokale gemeenschappen

en een pleidooi voor het vermijden van complexe systemen

Proloog

Onlangs zag ik een uitnodiging voor de landelijke infodag van Transition Town. Dat is de naam van een duurzaamheidsproject dat op verschillende plekken micro-economieën probeert te stimuleren. Achterliggende gedachte is dat lokale gemeenschappen tegenwicht kunnen bieden aan de huidige mondiale, op olie-industrie gebaseerde massaecononomie. Door bijvoorbeeld een ruilhandel op te zetten tussen twee moestuintjes in dezelfde buurt, wordt o.a. bereikt dat er bewuster en gezonder met voedsel wordt omgegaan en men niet verder actief bijdraagt aan de dagelijkse verspilling van voedsel door de macro-economie.

Symphatiek. Nuttig. Pragmatisch ook. Zelf koesterde ik al jaranlang het idee van lokale gemeenschappen als zinvol alternatief. Onder andere omdat ik ervan overtuigd ben dat een samenleving - zoals de huidige, aan haar eigen complexiteit ten onder gaat. Systemen die min of meer de boel automatisch bedienen, keren zich tegen de mensen die er gebruik van maken. Systemen en mensen die het systeem besturen, raken onverschillig. Systemen worden afgeschermd en raken (mede) daardoor corrupt.

Zomaar systemen afschaffen is niet in het belang van een maatschappij. Maar het kan best zinvol zijn om binnen een bestaande maatschappij ruimte te bieden aan kleinschaligere gemeenschappen, waarbij het samenleven ge-‘downsized’ wordt tot menselijke proporties. Op die manier kunnen lokale gemeenschappen als ‘antigif’ dienen tegen de ongewenste gevolgen van systemen.

Wat ik hieronder heb ik geschreven, is niet veel meer dan een spontane beschouwing op het idee van lokale gemeenschappen, een samenvoeging van oude en nieuwe gedachten. Ik besef ook dat het nog lang niet af is, dat er nog zoveel meer is wat ik er aan toe zou kunnen en willen voegen.

En zoals zo vaak gebeurt wanneer ik ergens over schrijf, lijkt ‘de kosmos’ mee te luisteren, omdat het ene voorval na de ander perfect aansluit bij hetgeen me bezighoudt. Een krantenbericht, een documentaire, een gesprek, een ‘tweet’. Maar de wens om volledig te zijn, weerhoudt me om zaken online te gooien en dat is nu net de bedoeling van deze blog. Daarom leg ik de pen nu neer. Ongetwijfeld volgen er nog stukken over dit onderwerp, maar dit is wat het is, voor nu.


Wederzijdse afhankelijkheid

Ik ben ervan overtuigd, dat mensen zich binnen een lokale gemeenschap van beperkte omvang bewust(er) zijn van de direkte consequenties van hun handelen, omdat ze dat terugzien in de omgeving waar ze niet alleen deel van uitmaken, maar ook grotendeels afhankelijk van zijn. Die wederzijdse afhankelijkheid schept, als die vrijwillig is tenminste, een saamhorigheidsgevoel dat verder gaat dan de lokale voetbalclub supportersgroep of campingstichting. De ervaring opdoen van pijnlijke en stomme keuzes, die ook de gemeenschap treffen, maar die tegelijkertijd eerlijk en direkt worden teruggekaatst, bevordert het grotere verantwoordelijkheidsgevoel en is dus naar mijn idee noodzakelijk om het empathisch vermogen van mensen in conditie te houden.

Ik geloof niet dat mensen een beter mens worden wanneer zij hun ervaringen alleen binnen vrijblijvende en 'zachte' structuren opdoen. De ideale structuur biedt een eerlijke, oprechte weerspiegeling van het hele scala aan menselijke behoeftes en niet alleen van de lieve, wenselijke aspecten. De ideale structuur kent dus ook zwakheden en eigenbelang. Alleen lokale gemeenschappen die zowel zacht als hard kunnen zijn, bieden het individu een eerlijk stukje grond om te kunnen groeien.

De lokale gemeenschapsvorm is naar mijn mening ook de enige remedie tegen de huidige ontwikkelingen, die leiden tot een verdere versystematisering, bureacratisering en automatisering van de samenleving. De complexiteit en onderlinge afhankelijkheid van al die systemen, en het feit dat deze systemen steeds intoleranter worden voor ‘onverwachte afwijkingen’, maakt zowel het individu als de gemeenschap kwetsbaar en weerloos. Dit ondermijnt gestaag de fundamenten van onze samenleving.

Elke vrijwillige gemeenschap, klein of groot, functioneert op basis van wederkerigheid en wederzijds verantwoordelijkheidsgevoel. De leden doen dat in het besef en vertrouwen dat de belangen van elk individu eerlijk worden afgewogen tegen die van een ander, en niet tegen dat van een systeem. Een systeem moet dus op de eerste plaats dienstbaar - en in die zin ondergeschikt - zijn aan de menselijke behoeftes en wensen, en aan de rechten en plichten tussen mensen. In hoeverre een vrijwillige gemeenschap gebruik wil maken van ondersteunende systemen, zoals een afgesproken betaalmiddel, bank- of rechtssysteem, infrastructuur of organisatievorm, dient afgewogen te worden tegen de omvang en complexiteit van de gemeenschap.

In mijn ogen hebben lokale gemeenschappen weinig kans van slagen als de persoonlijke inbreng ondergeschikt (dienend) is aan het systeem wat de gemeenschap dient. Aan de andere kant is dat wel de realiteit binnen onze grote en complexe maatschappij. Ik zou niet weten hoe het hierbij anders kan.

Een grote en complexe samenleving kan in elk geval niet zonder systemen. De gezamenlijke projecten, belangen, activiteiten en verantwoordelijkheden zijn te omvangrijk, te complex, te zwaar en te duur om het telkens over te laten aan het aantal individuen die er op dat moment gebruik van maakt of deel van uitmaken.

De keerzijde hiervan is dat binnen systemen geen direkte relatie meer bestaat tussen de mensen die er gebruik van maken en de mensen die het systeem onderhouden. Dit leidt vaak tot bureaucratie, onverschilligheid, corruptie en gevoel van machteloosheid aan kant van slachtoffers van dit syteem.


Bovendien is elk klein of groot systeem kwetsbaar. Maar het gevolg is bij omvangrijke sytemen veel groter omdat het een grotere groep van mensen raakt. Deze meerderheid heeft vaak nauwelijks direkte invloed of controle op het systeem dat onderhouden wordt door een minderheid, zeker als dit systeem grotendeels is geautomatiseerd. Dit versterkt het gevoel van machteloosheid.

Daarnaast maakt elk systeem deel uit van de samenleving (de manier van samenleven). Het falen van een systeem schaadt dus ook de cohesie: de gemeenschappelijke basis en het gevoel van samenhang binnen een gemeenschap. Hoe vaker dit gebeurt, hoe meer mensen zich aan het systeem en dus ook aan de gemeenschap gaan onttrekken, waardoor uiteindelijk de samenleving uiteenvalt.

Alleen binnen een structuur van menselijke proporties, waarin men weet met wie men samenleeft, kan worden voorkomen dat mensen 'onzichtbaar' worden. Of dat mensen slachtoffer worden wanneer (automatische) processen buiten hun blikveld en controle falen. Daarom ben ik van mening dat de menselijke maat de beste indicator is voor het nut (en eventueel falen) van systemen.


Wensplaatjes

Voor het slagen van een samenleving is het niet nodig dat idealen worden nagestreefd of vooral goede daden worden verricht. Dit zijn persoonlijke afwegingen en keuzes die een gemeenschappelijke grond kunnen vormen, maar evengoed aanleiding kunnen zijn voor meningsverschillen, oordelen, of zelfs intolerantie. Voor het slagen van een samenleving is het veel belangrijker om na te gaan in hoeverre elk individu zijn of haar persoonlijk belang in kan brengen zonder het belang van de ander(en) te schaden. Dit bepaalt grotendeels in hoeverre een individu zich kan/wil verbinden aan de anderen.

Hierover moet men eerlijk kunnen zijn. Men kan alleen grenzen trekken op zichtbare grond. Wensplaatjes bieden geen vaste grond en en idealen zijn geen concrete grenzen. Eigenbelang daartentegen is een duidelijk stukje grond waarop een vlag kan worden gestoken. Daar waar meerdere belangen botsen, kan een veilige en duidelijke grens worden getrokken. Veilig, omdat het respecteren van elkaars eigenbelang in essentie het hoogst bereikbare doel is voor elke vorm van samenleven. Duidelijk, omdat niemand andermans eigenbelang kan claimen. Een lokale gemeenschap opbouwen op basis van idealen en wenselijkheden geef ik weinig kans; dan gaat men samenleven op basis van een schijntolerantie en daarmee schijnveiligheid.

Een groot probleem van de huidige maatschappij is, dat het dagelijks samenleven wél gebeurt op basis van schijntolerantie en schijnveiligheid. Niet alleen vanwege de vele systemen, maar ook vanwege het ontbreken van een eerlijk samenlevingscontract, waarin de rechten en plichten van het individu in balans zijn met die van de samenleving (of beter: de baas van die samenleving, de overheid).

Het huidig contract bestaat uit geschreven en ongeschreven regels en is eenzijdig bepaald, vanuit een ongelijke machtspositie met als belangrijkste achterliggend motief om deze machtsongelijkheid in stand te houden.. Het eigenbelang is dus per definitie hieraan ondergeschikt.Het contract tolereert verschillende meningen, maar staat niet toe dat die verschillende meningen de bovenliggende structuur aantasten.

Individuen kunnen bijvoorbeeld niet met elkaar afspreken wat betaalmiddelen zijn, anders dan wat al wettelijk is vastgelegd. Individuen hebben geen mogelijkheid om te stemmen voor een monarchie, theocratie of dictatuur, omdat het stemrecht erop gericht is om het huidig staatsbestel, de parlementaire constitutionele democratie, in stand te houden. Individuen kunnen geen ruilhandel met elkaar bedrijven, of vrijelijk kennis uitwisselen wereldwijd, zonder in conflict te komen met regels die zijn opgesteld door machtssystemen en machthebbers zoals werkgevers, overheden, belangenorganisaties, octrooibureaus, multinationals, ect. Het individu is als het ware overgeleverd aan de 'tolerantiegraad' van systemen waar het afhankelijk van is.

In die zin is de situatie vergelijkbaar met lokale gemeenschappen die hun bestaansrecht ontlenen aan een gemeenschappelijk ideaalbeeld. Ook daar geldt dat het individu overgeleverd is aan een soort tolerantiegraad. Waar de grens precies ligt, is nooit duidelijk, omdat de algemene consensus stilzwijgend wordt bepaald door de meest invloedrijke aanhangers van het gemeenschappelijke ideaal en (vaker nog) door de meest bange verdedigers van de status quo.

Voor het bestaansrecht van de huidige maatschappij doen idealen en goede daden er eigenlijk niet toe. Zolang het individuele belang de 'tolerantiegraad' niet overschrijdt, keert het systeem zich niet vijandig tegen dat individu, ongeacht wat het individu denkt, gelooft of nastreeft.


Intolerantie

Helaas is het door de complexiteit van al die systemen al lang niet meer mogelijk om kennis van en overzicht te hebben op al die verschillende 'tolerantiegraden'. De huidige generatie ondervindt vaker dan de voorgaande generatie problemen met systemen, omdat ergens een alarm afgaat als gevolg van iets waar het individu geen weet van heeft. Gebrekkige communicatie vanuit dat systeem leidt er toe dat de situatie onnodig escaleert, omdat het systeem niet kan nagaan of er sprake is van kwade opzet of onbedoelde fouten. Dit is des te erger wanneer systemen verder geautomatiseerd worden, omdat zulke systemen hierdoor - omwille van de (schijn)veiligheid - strenger worden afgeschermd voor het publiek. Die kan daardoor minder goed nagaan waar, wanneer en waarom iets misging.

Een van de motieven voor het automatiseren of 'bureacratiseren' van systemen is, dat alle processen uniform en conform vooraf bepaalde voorschriften worden uitgevoerd. De ontwerpers willen hiermee willekeur en fouten voorkomen. Echter, het geloof in een efficiënter en betrouwbaarder systeem legt de bewijslast voor eventueel falen steeds meer bij de gebruikers van het systeem. Door het toenemende afschermen van die systemen, hebben gebruikers steeds minder toegang tot informatie die hun vrijpleit van kwade wil of bewust handelen.

Deze ontwikkeling maakt mensen angstig omdat het een onaangenaam toekomstbeeld schept, namelijk dat ze onderdeel (pion, produkt, slaaf, slachtoffer) worden van een systeem dat geen rekening meer houdt met hun behoeften en rechten en waartegen ze zich niet meer kunnen verzetten. Een totalitair systeem, zoals geschetst in de film "1984" van George Orwell, lijkt daardoor realiteit te gaan worden.


Wie dacht dat zoiets alleen voorbehouden was aan schurkenstaten, dictaturen of bananenrepublieken, vergist zich. Naast bekende voorbeelden als Nazi-Duitsland en het huidige Iran en Noord-Korea, zien we veel van Orwell's film terug in zogenaamd vrije en democratische staten zoals Amerika, Israël, Vaticaanstad, Japan, Oostenrijk, Italië en Turkije, waar groeiend religieus fundamentalisme of corruptie de fundamentele rechten en vrijheden van de bevolking aantast. Voor mijn gevoel gaat Nederland ook hard die kant op.

Totalitaire, intolerante systemen zijn het slechtste wat we voor onszelf kunnen bedenken. Ze leiden tot uitwassen waarvan we met z’n allen hebben afgesproken dat we een herhaling, koste wat kost, moeten voorkomen. Desondanks vinden allerlei ontwikkelingen plaats die de nachtmerrie telkens een stap dichterbij brengen. Ik wil hier een aantal noemen, om aan te tonen hoezeer complexe systemen daarin een rol spelen.


Wie weet wat?

Het gemak waarmee privacy wordt opgeofferd voor veelal ineffectieve preventiemaatregelen, doet vermoeden dat veel systemen oneigenlijk worden ingezet. Men wil zo op voorhand controle verkrijgen over informatie die men op het moment zelf nog niet nodig heeft. Deze verzamelwoede deelt de overheid met bedrijven als Google, die maar al te graag databases aanleggen voor toekomstig gebruik


Het probleem hiervan is, dat niemand precies kan uitleggen waarvoor al die gegevens dienen en dat het dus mogelijk is dat die gegevens net zo lang worden bewaard totdat de publieke opinie het verzet heeft opgegeven, of het politieke klimaat zodanig is veranderd, dat een verdergaande toepassing van die gegevens gerechtvaardigd kan worden. En hier zit ‘m nou de crux. Het kan zo zijn, dat zowel de overheid als het bedrijfsleven, en in toenemende mate, de wet min of meer overtreden door zichzelf meer speelruimte toe te eigenen dan noodzakelijk of gewenst is.

De complexiteit van de wetgevende en het rechtsprekende systeem draagt eraan bij dat de wet- en regelgeving nooit gelijke tred kan houden met alle ontwikkelingen. Gevolg hiervan is dat er vaak op belangrijke terreinen hiaten of ‘niemandslandjes’ ontstaan. Een overheid die daar vervolgens ook zelf misbruik van maakt, beweegt zich in mijn ogen overduidelijk richting totalitaire staat.

Een andere aanwijzing voor die richting is segregatie, het afzonderen of afscheiden van bepaalde bevolkingsgroepen binnen een samenleving. Afgezien van het culturele aspect, worden de groeiende verschillen tussen bevolkingslagen openlijk benoemd en daarmee bevestigd dan wel kunstmatig gecreëerd.
Ook hierin spelen systemen en bulkdatabases een grote ondersteunende rol. Zonder die instrumenten zou het immers niet mogelijk zijn om de talloze rapporten met statistische analyses te produceren. Veel van die rapporten verdwijnen direkt weer in de spreekwoordelijke la, maar dan nog zijn voldoende gegevensbronnen beschikbaar voor hen die er iets mee willen


Belangrijk is om hierbij te beseffen, dat rapporten elkaar chronisch tegenspreken en dat het ondoenlijk is om ze allemaal telkens met elkaar te vergelijken en daarna bij te werken. Het is dus erg onwaarschijnlijk dat je ooit een rapport zult tegenkomen waarvan de bevindingen door alle andere onderzoeken wordt gestaafd. Maar dat betekent ook, dat degenen die willekeurig rapport A als bronmateriaal nemen voor verder onderzoek, zeer waarschijnlijk hun conclusies baseren op iets waar veel andere deskundigen het hartgrondig mee oneens zijn. En laat dat nu net brongebruikers zijn die nieuwe wetten of nieuwe plannen willen doorvoeren. Wederom faciliteert het netwerk van systemen het doorvoeren van (mogelijke) fouten, op grond van een ongeschreven en onvrijwillig aangeboden speelruimte , zonder dat er een zelfcorrigerende werking van binnenuit optreedt. Het systeem corrumpeert zodoende zichzelf.

De vanzelfsprekendheid waarmee de samenleving volgens statistieken wordt ingedeeld om het toekomstig rendement van gesegregeerde zorg en ontplooiingskansen te bepalen, vind ik zorgwekkend. De huidige systemen maken het mogelijk om zo te denken en te handelen.


Mieren

De massa blijkt eenvoudig haar menselijkheid te kunnen verliezen, zodra systemen het mogelijk maken om ‘objectief’ en ‘professioneel’ met grote getallen om te gaan. Met systemen kun je mensen laten verdwijnen. Dat wisten niet alleen enge dictators zoals Stalin, Hitler en Pinochet, maar ook de meer geliefde winnaars van het spel, zoals Churchill, Rosenberg, en Bush


De huidige nachtmerrie wordt echter niet door krijgsheren gemaakt, niet door een paar leeuwen die hard brullen, maar door talloze krioelende, ietwat overijverige mieren: ambtenaren, wetenschappers, politici, ondernemers, medici. Zij werken in en samen met systemen die onderhand zo geavanceerd en krachtig zijn geworden, dat ze tegemoet kunnen komen aan vrijwel elke zotte inval, nieuwsgierigheid of geldingsdrang die in het hoofd van een ‘mier’ kan opkomen. En omdat met statistiek altijd wel een goed argument gevonden kan worden - en omdat wij er stilaan doof voor zijn geworden - kan dat allemaal ongestoord doorgaan.


Wie doet wat?

We mogen ons onderhand wel eens gaan afvragen: Welke kwalijke methoden en afwegingen uit onze zwarte geschiedenis zien we tegenwoordig weer terug? Wie timmeren op de achtergrond zo hard aan een nieuwe totalitaire en intolerante staat?

Dat zijn op de eerste plaats degenen die het, dankzij het vermeende nut van systemen, niet meer zo nauw nemen met onze privacy en persoonlijke gegevens. Ik denk dan aan Google en andere 'dataminers', maar ook justitie en inlichtingendiensten, banken, verzekeraars en Gestapo-achtige organisaties als Stichting Brein.

Op de tweede plaats zijn het degenen, die zich verstoppen achter systemen, en geen verantwoordelijkheid nemen als het uit de hand loopt. Ik denk dan aan reintegratiebureau’s, jeugdzorginstellingen, uitkeringsinstanties, wethouders en politici.

De derde groep timmerlui maakt het mogelijk dat we straks, in navolging van onze systemen, onbezwaard intolerant tegenover afwijkingen mogen staan. Deze groep bastelt voor ons de perfecte mens, het perfecte dier, de perfecte wereld in elkaar. Zij sporen nu alvast de ‘foutjes’ op om ze later preventief te kunnen verwijderen. Ik denk natuurlijk aan de farmaceutische bedrijven, de genetisch onderzoekers, DNA-databanken en medici die zich bezighouden met pre-selectie op basis van genetisch materiaal bij vruchtbaarheidsonderzoek.

Kortom, de nabije toekomst ziet er niet zo best uit. De grote vraag is of het nu nog anders kan. Leidt de weg van toenemende complexiteit er hoe dan ook toe, dat we onze identiteit verliezen aan steeds verder reikende systemen? Kan een complexe maatschappij zoals de onze, standhouden met behoud van menswaardigheid en meerwaarde van de individuele kwaliteiten en gebreken?



Waardebepaling

Het is verdomd lastig om mensen in een systeem te vangen en daar te houden. De geschiedenis leert, dat dit altijd tot verzet leidt en dat elk systeem dat de pesoonlijke vrijheden en waardigheden aantast, vroeg of laat onderuit gaat. De geschiedenis leert ook, dat in de chaos die daarna onstaat, de mens opnieuw op zoek gaat naar zijn eigen menselijkheid en waardigheid, vanuit een sterk gevoelde behoefte om zélf die norm te stellen. En dat hij zich daarbij minder laat leiden door de gedachte aan een systeem dat er niet meer is. Dit zie je terug op alle plekken van wederopbouw (oorlogsgebieden, rampgebieden, familiedrama’s).

Het eerste concrete feit wat uit die behoefte voorkomt, zijn de kleinschalige samenwerkingsverbanden. Zulke verbintenissen zouden nooit zo snel en vaak tot stand zijn gekomen, indien de behoefte om zich naar een systeem te schikken groter was dan de behoefte om zelf de eerste stap te zetten. Ik wil hier alleen maar mee zeggen dat ik meer vertrouwen heb in de kracht van mensen, dan van systemen. En dat de aanstormende nachtmerrie - ondanks haar momentum - ook een punt heeft waarop zij stopt en omvalt.

Het meest voorkomende breekpunt doet zich voor binnen economisch gevoelige systemen, waar het plotseling wegvallen van de geldstroom al gauw tot het uiteenvallen van dat systeem leidt. Ook hierbij geldt: hoe complexer het systeem, hoe gevoeliger (en dus kwetsbaarder) het is voor afwijkingen.
In de financiële wereld staat dat bekend als het vlindereffect en we hebben dat onlangs nog kunnen zien toen heel het bankwezen op haar gat viel als gevolg van schommelingen op de huizenmarkt. Het een leidde tot het ander. Zulke bizarre fenomenen doen zich niet voor binnen lokale gemeenschappen met een beperkt ondersteunend systeem, om de eenvoudige reden dat lokale systemen minder virtueel van aard zijn dan de mondiale.

Analysten en beleggers vergeten nog wel eens dat, hoe virtueler een economisch systeem is, des te onvoorspelbaarder de markt kan reageren op fluctuaties. Je hoort ze zelden zeggen dat virtuele handel vooral een emotioneel gestuurde handel is. Liever houden ze het beeld hoog, dat er met verstand van zaken wordt gehandeld. Het is echter niet meer dan logisch om ervan uit te gaan dat dat niet klopt.

Iemand die met een virtueel saldo gaat gokken, speelt anders dan iemand die met een zak munten gaat spelen. De eerste is geneigd om steeds hoger in te zetten en zijn risicobereidheid af te laten hangen van het spelverloop. De waarde van het viruele geld neemt toe naargelang de verwachtingen stijgen. Dat zijn geen rationele overwegingen, maar puur emotionele. De tweede speler zal daarentegen eerder geneigd zijn om het risico evenredig te verdelen over het aantal keren dat hij inzet, omdat winst en verlies in dezelfde munten worden uitbetaald. Een blik op de stapel munten volstaat, om het bijgeloof in ‘automagisch’ stijgende waarde te kop in te drukken. Paniek of euforie verandert niets aan de hoeveelheid munten die hij nog heeft.

Leden binnen lokale gememeenschappen zullen meer overeenkomst vertonen met de tweede speler dan met de eerste. Kapitaal en goederen zijn tastbaar, concreet. De intrensieke waarde verandert niet wezenlijk na overdracht. Hoeveel staafdiagrammen iemand er ook bij haalt om het tegendeel aan te tonen. Het bewijs ligt niet in de cijfers, maar in datgene wat recht voor je neus staat.


Omvang van systemen

Er is nog een andere reden om economische of bedrijfsmatige systemen zo min mogelijk complex te maken. Complexe systemen hebben namelijk de neiging om zichzelf te dienen (preventief instandhouden) en indien nodig, te snijden in hun dienstenpakket richting publiek, om het niveau van efficientie te handhaven.

Op zich niet zo vreemd als je bedenkt dat ze voor het draagvlak oftewel bestaansrecht, niet direkt afhankelijk zijn van dat publiek. Eerder van investeringen vanuit overheid en bedrijfsleven en andere grote systemen.

Dergelijke systemen hebben echter ook de neiging om zichzelf van binnenuit op te eten, van onderaf naar boven, om te kunnen voldoen aan de efficientiegraad die nodig is om te overleven. En daar zit de grootste dreiging voor elk recursief systeem (d.w.z. een systeem dat enkel functioneert door zichzelf aan te roepen): Het is en blijft een zichzelf uithollend bouwwerk. Zodra de onophoudelijke investering stopt, moet het onderdelen afsnijden en opvreten. Dit tast het dienstenpakket aan en daardoor verliest het nog meer draagvlak. Dus moet het weer onderdelen afsnijden. Uiteindelijk stopt elk recursief systeem op het punt waar geen antwoord meer gevonden wordt op de dubbelzinnige vraag: "Welke dienaar bedient dit systeem?".

Op het niveau van een lokale gemeenschap kunnen bepaalde systemen noodzakelijk zijn, afhankelijk van de complexiteit van de samenleving. Een familieverband is een minder complexe lokale gemeenschap dan een woongroep. Een familie hoeft geen Dagelijks Bestuur in het leven te roepen, daarentegen heeft de woongroep weinig aan een collectieve levensverzekering. Een ecologisch dorp zou als systeem het oude gildemodel nieuw leven kunnen inblazen.

Hoe dan ook, het lijkt mij zinvol om, als men een lokale gemeenschap op wil zetten, te kijken naar de gewenste omvang: Tot waar kan de gemeenschap functioneren zónder de noodzaak van systemen om de complexiteit van de samenleving te dragen. Hoe minder complexe systemen, hoe beter.

Op de eerste plaats moet voorkomen worden dat een systeem het publiek afschermt van onderliggende processen. De basis voor een (lokale) gemeenschap ligt immers naar mijn idee in het het gezonde eigenbelang dat een individu kan inbrengen zonder schade toe te brengen aan de overige belangen. Dan is het nogal tegenstrijdig om een systeembelang hierboven te stellen. Een stichting of vereniging waar verdeeldheid heerst, informatie wordt achtergehouden, of waar in achterkamertjes wordt beslist, faalt als belangenbehartiger en wordt een systeem dat zich vijandig tegen haar gebruikers keert.

Op de tweede plaats moet geen systeem in het leven worden geroepen wat zichzelf van nature uitholt. Een systeem wat niet in handen is van de gemeenschap van gebruikers en dus nog een tijdje rondfladdert als de kop eraf is, is zo’n systeem. Blijkbaar bestaat er dan nog een eigen, interne behoefte om voort te bestaan. Een extra behoefte die niets te maken heeft met het publieke belang. Dit zijn interne behoeftes die ertoe kunnen leiden dat een organisatie zichzelf opeet.


Vormen van systemen

Een hiërarchische organisatie holt zichzelf uit wanneer de grootste eters (zij die veel honger hebben naar meer geld en macht) omhoogschuiven in de piramide en de kleinste eters onderaan blijven. Kennis, kunde en invloed stijgt dan ook omhoog, naar plekken die steeds onbereikbaarder zijn voor de onderste regionen, maar ook voor het publiek, de gebruikers. De organisatie verliest klanten en draagkracht en moet gaan snijden. Hoe langer wordt gesneden, des te minder interessant de organisatie voor veeleters wordt. Uiteindelijk verdwijnt al dat geaccumuleerd potentieel uit de piramide, omdat er niets meer te halen valt. De organisatie als vorm kan dan nog wel een tijdje voortleven, maar mist elk nut of doel. Zij is de gemeenschap, indien er een afhankelijkheid bestaat, alleen maar tot last.

Niet elke hiërarchie holt zichzelf uit. Alleen die, waarbij de bazen liever geen baas boven zich hebben. Het probleem is dus niet zozeer de honger naar geld en macht. Een zelfstandig ondernemer doet er niemand kwaad mee en wij stemmen om invloed te kunnen hebben.
Het probleem ligt hierin, dat bepaalde personen niet eerlijk zijn over hun motieven. Dat zij zo’n bloedhekel aan hun (zelfverkozen) positie in de hiërarchie hebben dat ze allerlei nare zaken uithalen om maar omhoog te komen. Zij kiezen de organisatie, maar stellen het eigenbelang boven het goed functioneren van de organisatie. De organisatie raakt daardoor corrupt en stelt haar belang boven dat van haar gebruikers.

Een lokale gemeenschap moet zich dus goed achter de oren krabben, voordat ze systemen in het leven roept waarbij macht (invloed of zeggenschap) ongelijk is verdeeld. Het gezonde en misschien ook wel ongezonde eigenbelang, waar ik groot voorstander van ben, kan de integriteit van organisatiestructuren heel makkelijk van binnen uit aantasten en daarmee elk systeem in een corrupt systeem veranderen.


Zichtbaar zijn

Vaak hoor je mensen om meer transparantie roepen en daarmee bedoelen ze dat ze willen kunnen controleren of dat wat er wordt beweerd ook klopt. Dat ze kunnen nagaan of er niet is gesjoemeld en niets onder het tapijt is geveegd.

Begrijpelijk, maar voorkomen is beter dan genezen. Transparantie is naar mijn smaak toch meer mosterd na de maaltijd. Liever heb ik zichtbaarheid, dat je gewoon ziet wat er gebeurt en direkt kunt reageren wanneer iets je niet bevalt.

Met complexe systemen gaat dat lastiger dan met simpele en ook dat is een pleidooi voor een betere afweging; vertrouw er niet zomaar op dat met een transparant model ellende voorkomen wordt. Ga na hoeveel tijd en moeite het kost om fouten recht te zetten en weeg dat af tegen de impact die de fouten direct hebben op de gemeenschap.

Het uitbesteden van de automatisering aan een grote professionele organisatie die via allerlei keurmerken en onafhankelijke audits volledig transparant zegt te werken, klinkt betrouwbaar, maar als diezelfde organisatie lastig te bereiken is en vooral op het moment dat alle pc’s plat liggen, heb je d’r niet zoveel aan.

Zo’n twintig jaar terug werkte ik op een klein IT-adviesbureau, en toen het begrip ‘transparantie’ als nieuw modewoord in elk rapport en vakblad werd gepapagaaid, kon ik niet veel anders dan er een snedige oneliner over te schrijven: “Een model wordt transparant genoemd, wanneer het zichzelf ongemoeid laat.” Het klonk heel deftig natuurlijk en ik had er ook een aardig tekeningetje bij gemaakt, waar mijn toenmalige baas hartelijk om moest lachen. Maar nee, ik voorzag niet dat mijn woordgrap de realiteit van 2010 zo dicht zou benaderen. Buiten die van de bizarre wereld van IT-managers dan.

Transparantie anno 2010 houdt in dat USB-sticks en dossiers met geheime informatie in vuilnisbakken en treinen rondzwerven. Dat beelden en verslagen van militaire missies op internet te vinden zijn, evenals de namen en adressen van personen die verdacht worden van ernstige misdrijven. Het betekent ook dat informatie over jou en mij vrijelijk uitgewisseld wordt, niet alleen via inlichtingendiensten, bedrijven en overheden, maar ook door spammers, artsen, sociale netwerksites, kerken, loterijen, bloemisten, pizzabezorgers, je eigen mobieltje en andere bluetooth apparaten


Maar deze transparantie, hoe kwalijk ook, blijkt nog geen dringende reden te zijn om er iets tegen te ondernemen, om ervan te leren of in elk geval een exacte herhaling te voorkomen. Sterker nog, transparantie leidt er alleen maar toe dat we zogenaamd veilig opgeslagen informatie de volgende keer nóg sneller weten te vinden.

Een model wordt transparant genoemd, wanneer het zichzelf ongemoeid laat.” Het klopt als een bus. De publieke verontwaardiging tast het het systeem nauwelijks aan, de structuur blijft intact en de onderliggende afhankelijkheden worden eerder versterkt dan versoepelt. Processen die zich grotendeels buiten ons blikveld afspelen, worden herbenoemd, maar wijzigen niet, omdat ze hetzelfde resultaat beogen. Immers, zo luidt de conclusie, niet het systeem heeft gefaald, maar de mensen die er onderdeel van uitmaken.

Ik ben het daar niet mee eens. Voor mij bestaat er geen verschil. Als een ambtenaar faalt, dan faalt ook het ambtenarenapparaat. En transparantie als toverwoord kan niet verhullen dat de meeste systemen wel prima kunnen lekken, maar absoluut niet zichtbaar willen zijn.

De diverse aspecten van een lokale gemeenschap, zoals de organisatie, de samenhang en afhankelijkheden, het bestuur en het toezicht erop, al deze dingen moeten op de eerste plaats dus zichtbaar zijn voor een ieder die daar een redelijk belang bij heeft. Zichtbaar om direkt te kunnen reageren als iets niet bevalt. Zichtbaar om een juiste inschatting te kunnen maken van eventuele problemen, op een moment waarop je de schade nog kunt beperken. Zichtbaar ook, om snel te beoordelen of iemand geschikt is om verantwoordelijkheid te dragen voor datgene wat hem of haar is toevertrouwd. Ook hierin kan de menselijke maat een goede leidraad zijn. Ken ik de persoon aan wie ik deze taak of deze informatie toevertrouw en wat betekent het voor die persoon dat het om mij gaat? Welke reden heeft betreffende persoon (of systeem) om zijn handelen niet zichtbaar (maar misschien wel transparant) te laten zijn?

(…)

Rotterdam, 17-09-2010